Vis was essentieel aanwezig in het oude Israël. Jeruzalem had een ‘vispoort’ (Neh.3:3) en in het land waren verschillende plaatsen nauw met de visserij verbonden. Bekende voorbeelden zijn Betsaïda dat ‘vissersdorp’ betekent (Mar.6:45). Het leven van Jezus concentreerde zich rond de vissershaven van Kafarnaüm. Kafarnaüm stond bekend om zijn visverwerking. Op het Meer van Galilea gaf de visserij werkverschaffing aan vissers, botenbouwers, zeilmakers, zoutproducenten en visverkopers. Volgens Flavius Josephus was de vis uit dit meer van bijzondere kwaliteit. Hij verschilde qua smaak en uiterlijk van de vis elders in het land.¹ Vis uit Galilea werd daarom gezouten verzonden om wijd en zijd gebruikt en gegeten te worden. Wat laat zich over de visserij van Galilea vertellen?
De visserij in Galilea
Werken als familie
Het NT kent niet de vrije individuele onderneming van vandaag. Vissers maakten er deel uit van een politiek-economisch geordende onderneming. Dat zorgde voor een complex leven in relatie met anderen. Zo was het gebruikelijk om in de landbouw en de visserij met familieleden en buurtvrienden samen te werken. Ook waren relaties essentieel voor de handel. Dat leidde ertoe dat veel van het dagelijks werk verbonden was met het familieleven.
Coöperaties
Wie op het meer van Galilea als visser aan de slag wilde, kon dat niet in vrijheid doen. De toegang tot het water werd nauwlettend door de belastingontvangers in de gaten gehouden. Wie wilde vissen moest zich eerst van de nodige visvergunningen voorzien. Het bedrag daarvoor betaalde de visser aan de belastingontvanger. Bij deze persoon kon de visser ook terecht om geld te lenen voor zijn boot, netten of andere toebehoren.
Regelmatig vormden vissers coöperaties van zakenpartners om de kosten voor de vergunningen en alle toebehoren zo laag mogelijk te houden. De visserij op het meer van Galilea leek daardoor sterk op een hedendaagse franchise. Lucas schrijft dat Simon en zijn metgezellen samen met de familie van Zebedeüs zo’n coöperatie vormden: ‘Ze gebaarden hun “partners” [metochois] in de andere boot dat die hen moesten komen helpen’ (Luc.5:7a). Kort daarna horen we over ‘Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon “samenwerkten” [koinōnoi]’ (Luc.5:10a). De woorden die de evangelist in deze context gebruikt duiden op een coöperatie of samenwerkingsverband. De mannen zijn vissersmaten van elkaar. Regelmatig beweert iemand dat het hierbij om mensen uit de rijkere middenklasse ging. Ze wijzen er dan op dat elke familie een boot en eigen vismateriaal zou bezitten. Hierbij wordt echter vergeten dat vissers boten van de tollenaars konden huren. Zelfs wie dat niet hoefde te doen en een eigen boot bezat, hoorde niet meteen bij de middenklasse. Een vissersboot was voor een visser wat een stel ossen voor een landbouwer was. Dat laat het moeilijk toe de vissers in het evangelie als ‘ondernemers’ te bestempelen.
Roeping door Jezus
Ondanks dat hun maatschappelijke bestaan hen van de broodnodige inkomsten voorzag, kozen sommige vissers ervoor om met Jezus mee te gaan. Dat liet zich het gemakkelijkst met hun werk in het regenseizoen (oktober-maart) verbinden. We dienen er zodoende niet vanuit te gaan dat de leerlingen Jezus het hele jaar volgden. Er waren ook perioden nodig om thuis bij hun familie te zijn.
Dagloners en netwerken
Naast zijn zonen had Zebedeüs ook dagloners in dienst (Mar.1:19-20). Er werkten veel dagloners of seizoenarbeiders in de landbouw en visserij (vgl. Mat.10:10; 20:1-16; Joh.4:36; 10:12-13; Jak.5:4). Zij maakten wezenlijk deel uit van de economie in Galilea. Jezus roept zijn leerlingen er later toe op om te bidden voor dagloners als het om de oogst van God gaat (Mat.9:37-38). Naast dagloners hadden vissers ook allerlei materiaal van landbouwers en ambachtslieden nodig. Hout was er nodig voor hun boten, gehouwen steen voor hun ankers, vlas voor hun netten en manden om hun vis te vervoeren. Daarnaast waren er mensen actief in de verwerking en de verkoop van vis. Vissers werkten samen met de visverkopers om de vis voor conservering te verwerken. In de evangeliën is er sprake van gebraden of geroosterde vis (Luc.24:42; Joh.21:9). Visolie diende tevens als brandstof voor lampen en als medicijn.
In 1986 ontdekte men een vissersboot uit de periode van 40–70n.Chr. dicht in de buurt van de oever van het Meer van Galilea. De boot was voornamelijk van ceder- en eikenhout gemaakt. Ze heeft n lengte van acht meter, is tweeëneenhalve meter breed en anderhalve meter diep. De vondst biedt inzicht in de manier waarop de vissers die Jezus ontmoette hun boten in de visserij gebruikten. Oorspronkelijk had de gevonden boot een zeil en bood ze plaats aan vijf personen: vier roeiers en een stuurman. Ze was zo gebouwd dat ze ongeveer een duizend kilogram aan gewicht kon dragen (Mar.6:45).
Een filmreeks als The Chosen brengt het leven van de vissers in het vroegere Galilea rijk tot leven. Daarin komt ook het element van de zware belastingen tot uiting. Vissers waren niet vrijgesteld als het om de belastingen in het land ging. Hoewel men bij die belastingen meestal vooral aan tolheffingen voor het weggebruik denkt, was het hele leven in Galilea door belastingen gestempeld. Het is daarom van belang om ook over dit aspect van het leven in Galilea iets te zeggen.
Aristocratie en belasting
Vooral de hogere aristocratische families hielden zich bezig met het innen van belastingen en het voeren van oorlog. De inwoners van het land moesten een groot deel van hun productie aan hen afstaan via tienden, belastingen, tol, pacht, enzovoorts. De Romeinse keizers verrijkten zich enorm door deze inkomsten. Ze genoten een verheven positie die zij zichzelf ten opzichte van anderen hadden gegeven. De keizer stond als heer en meester boven alles. Hij leefde als een god op aarde.
Onder hen stonden ook de koningen en heersers van de veroverde gebieden. Zij waren aan de keizer onderdanig. Een voorbeeld daarvan in het NT vormt de dynastie van Herodes. De Herodiaanse vorsten betaalden aan de keizer belastingen op het land en belastingen op de personen waarover ze regeerden. De grote sommen waarmee dat gepaard ging, riepen regelmatig de vraag op of de inwoners van het land aan de keizer nog wel deze belasting moesten blijven betalen. Had de keizer niet al voldoende schatten op aarde verzameld? Was het niet tijd om zich tegen de vele belastingen te verzetten en het betalen van belastingen achterwege te laten (Mar.12:14)?
Alsof het heffen van belastingen op het land en personen nog niet genoeg was, eiste Rome ook nog allerlei andere vormen van belasting. Daaronder viel het betalen van belastingen in havens en op wegen. Verder ging de keizer er zonder twijfel vanuit dat de koningen en heersers die over zijn veroverde gebieden bewind voerden hem regelmatig van allerlei extra voordelen voorzagen. Herodes de Grote schonk daarom aan keizer Augustus duizend talenten, en aan Julia, de vrouw van Augustus, vijfhonderd talenten. Zijn opvolger, Herodes Antipas, bracht hulde aan de keizer door allerlei goederen en geldsommen naar Rome op te sturen en verschillende steden en bouwwerken ter ere van de keizer in het land op te richten. Doordat hij de stad Tiberias bouwde, werd hij een van de intiemste vrienden van keizer Tiberius. Daarnaast genoot Antipas ook zelf van weelde. Hij ontving aan jaarlijkse inkomsten maar liefst tweehonderd talenten uit het land. Dat zorgde er voor dat de bevolking hem een ‘liefhebber van luxe’ noemde. Flavius Josephus biedt een overzicht van de jaarlijkse inkomsten van de andere Herodiaanse vorsten in het land: Herodes Archelaüs ontving zeshonderd talenten, Herodes Filippus ontving honderd talenten, Salomé II, de dochter van Herodias, ontving zestig talenten en Herodes Agrippa I ontving tweeduizend talenten.²
Regionale tollenaars en belastingen
De evangeliën spreken regelmatig over tollenaars in het land. Regionaal hielden zij toezicht op een juiste gang van zaken rondom de belastingen. Een bekend voorbeeld is ‘Zacheüs de oppertollenaar’ (Luc.19:2). Het volk betaalde belasting voor allerlei zaken. Zo ontvingen de vissers visrechten van de overheid in ruil voor een belasting aan de plaatselijke tollenaars die verantwoordelijk waren voor de havens en de viscontracten. Het is mogelijk dat Matteüs (c.q. Levi) in de vissersplaats Kafarnaüm vooral over deze zaken ging (Mat.9:9; Mar.2:13-14). Zijn tolhuis bevond zich dan nabij de haven. Een brief van Demetrius somt rond de tijd van het NT allerlei verschillende belastingen op die beroepen als landbouwers en vissers in het land moesten betalen: belastingen op zout, op een deel van de veldoogst, op boomvruchten, op stemrecht, tienden, keizerlijke huldigingen, allerlei heffingen en voor de plaatselijke regeerders.³
Verder controleerden de tollenaars de wegen en bruggen. Wie met goederen van het ene naar het andere belastingdistrict trok betaalde 2%, 2,5% of 5% van zijn goederen en een bepaald percentage op dieren en wagens aan belasting. In de tijd van keizer Tiberius had Israël maar liefst tien van zulke districten. Het was nagenoeg onmogelijk om tijdens een reis van A naar B geen belasting te betalen. Wel hield de politiek bij het bepalen van de belastingschaal rekening met iemands geslacht, maatschappelijke status en beroep. Daarnaast waren er tolgelden voor algemene wegen. De prijs daarvan werd bepaald op basis van de aanwezigheid van bruggen en de staat en het belang van de weg. Deze vele vormen van belasting leidden er overal toe dat mensen de tollenaars verafschuwden en regelmatig mishandelden (Luc.19:2-8). Dat Jezus met tollenaars omging was daardoor voor veel inwoners van het land een doorn in het oog. De vraag ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’ (Mat.9:11; Mar.2:16; Luc.5:30), was daardoor niet alleen een vraag van de farizeeërs (Mat.11:19; Luc.7:34). Dat de tollenaars oog en oor hadden voor de boodschap van Jezus gold voor de evangelisten dan ook als een grote bijzonderheid die een regelmatig vermelden waard was (Luc.15:1; 19:2). Dat gold des te meer voor de leerlingen van Jezus die evenals hij met deze tollenaars omgingen en zelfs met een van hen in hun eigen apostelteam moesten leren omgaan.
Belastingontwijking
Talrijke landbouwers en vissers probeerden zich strategisch aan de tollenaars te onttrekken. Een tollenaar herinnerde hen namelijk aan de vele belastingen waaraan de heersers hen hadden onderworpen. In de bevolking was het daardoor gebruikelijk de heersers continu te beliegen of halve waarheden te vertellen. Dat belemmerde uiteindelijk ook de technologische vooruitgang van het land. De Jood Philo schrijft: ‘de steden leveren deze [belastingen] vaak onder dwang, met grote tegenzin en geweeklaag. Ze zien de belastinginners als collectieve vijanden en vernietigers. Dat leidt op bepaalde tijdstippen tot het negeren van alle wetten en voorschriften.’⁴ Verbeteringen in de aanleg van wegen, aquaducten en havens zagen velen slechts als voordelen voor de aristocratie. Zij zagen er niet het nut van in om hiervoor belastingen te betalen.
Conclusie
Concluderend laat zich vaststellen dat het leven in Galilea niet gemakkelijk was. Het beeld van de leerlingen van Jezus als vissers dienen we ons daardoor niet te idyllisch voor te stellen. Leven in Galilea betekende hard moeten vechten voor het eigen bestaan. Inzichten in de achtergrond van dat leven kunnen ons er dan ook bij helpen om ons het leven van Jezus en zijn leerlingen historisch correcter voor te stellen.
1 Josephus, Bello Judaico, 3.509.
2 Flavius Josephus, Antiquitates Judaicae: De oude
geschiedenis van de Joden, vert. Fik J.A.M. Meijer en
Marinus A. Wes (Baarn: Ambo, 1998), 17.318-321; 19.352.
3 J.R. Radersma, P.J. Booij en T. Mewe, red., ‘1 Makkabeeën’,
in Bijbel: De Nieuwe Bijbelvertaling (Heerenveen:
Jongbloed, 2004), 10:29-31; 11:34-36; Flavius Josephus,
Antiquitates Judaicae: De oude geschiedenis van de Joden, vert. Fik J.A.M. Meijer en Marinus A. Wes (Baarn: Ambo, 1998), 13.49-51.
4 Philo of Alexandria, ‘On the Special Laws I-IV:
De Specialibus Legibus I-IV’, in The Works of Philo, tran. Charles D. Yonge (Peabody: Hendrickson, 2005), I:143.
Dit artikel is eerder verschenen in het StudieBijbel Magazine





