Bij een eerste oriëntatie met betrekking tot de hemel in het Nieuwe Testament vallen ons twee dingen op. Ten eerste dat het Griekse woord voor hemel ouranos meer dan 250 keer voorkomt. De hemel krijgt dus hier een niet geringe aandacht. Ten tweede merken we bij het raadplegen van een woordenboek op dat het woord ouranos niet steeds dezelfde zaak aanduidt.
Zo wordt het gebruikt in de zin van wolkenhemel, wat bijvoorbeeld blijkt in zinsneden als ‘vogelen des hemels’ (bv. Matt. 6:26) en ‘wolken des hemels’ (bv. Matt. 24:30). Maar het woord kan ook gebruikt worden voor de sterrenhemel. Zo lezen we over de ‘sterren des hemels’ en de ‘machten der hemelen’ (bv. Hebr. 11:12; Matt. 24:29). En ten derde komt het voor in de zin die ons hier bezighoudt, namelijk als ‘de woonplaats van God’.
Voordat we op deze laatste betekenis doorgaan wil ik een paar opmerkingen maken over dit gebruik van het begrip ‘ouranos’. Ten eerste blijkt m.i. uit dit woordgebruik dat Jezus en de apostelen zich de hemel van God even plaatselijk en ruimtelijk voorstellen als de wolkenhemel en de sterrenhemel. Ten tweede geloof ik niet dat deze zgn. gelaagde hemel karakteristiek is voor het antieke wereldbeeld. We hebben hier een natuurlijk wereldbeeld, gebaseerd op een aards perspectief en een algemeen menselijke beleving (aldus Berkhof)¹.
Hemel van God van een andere orde
Hoewel de hemel van God dus lokaal gedacht wordt, mag men toch niet vragen waar deze zich bevindt. Zij is namelijk wel van een andere orde dan de eerste twee. Ze is verborgen en onzichtbaar. Daarom lezen we diverse keren dat de hemel geopend wordt². Zo bijvoorbeeld bij Jezus’ doop in Mat. 3:16: ‘Terstond nadat Jezus gedoopt was steeg hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op hem komen’. En als Stefanus gestenigd wordt zegt hij: ‘Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God’. De hemel van God is dus voor de mens een gesloten boek, tenzij deze voor hem geopend wordt. Voor onze kennis van deze hemel zijn wij dan ook volledig aangewezen op goddelijke openbaring.
De onzichtbare hemel
Wat openbaart het Nieuwe Testament nous over deze onzichtbare hemel. Er zijn twee brieven, namelijk de brief aan de Hebreeën en die aan de Efeziërs, die ons meer inzicht geven in de hoedanigheid van de onzichtbare hemel.
In de Hebreeënbrief wordt gezegd dat Jezus ‘de hemelen is doorgegaan’ (Heb. 4:14), dat hij ‘hoog boven de hemelen verheven is’ (Heb. 7:26) als ook dat hij ‘plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit’ (Heb. 8:1). Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen de hemelen die de Here Jezus is doorgegaan en de hemel waar God woont³. We zien hier dat er in de hemel verschil is tussen hemel en hemel. Er is verscheidenheid en gradatie.
Dit wordt helemaal duidelijk als we de brief aan de Efeziërs lezen. Deze brief spreekt steeds in het meervoud over hemelen en doelt hiermee op meerdere hemelen. We zien dit bijvoorbeeld in Efeziërs 4:10, waar we over Jezus Christus het volgende lezen: ‘Hij, die neergedaald is, Hij is het ook die is opgestegen, ver boven alle hemelen…’. Tegelijkertijd lezen we in Efeziërs 1:20 dat God de Here Jezus heeft opgewekt uit de doden en Hem gezet heeft aan Zijn rechterhand in de hemelen (en tois epouraniois). Ook in deze brief wordt dus onderscheid gemaakt tussen de hemelen die de Here Jezus is doorgegaan en de hemelen, waar Hij zit aan de rechterhand van God.
Maar er wordt hier nog meer duidelijk, namelijk dat de onzichtbare hemelen zich uitstrekken tot aan de aarde. We zien dat aan twee zaken. Ten eerste lezen we dat er zich in de hemelen ook boze machten bevinden die ‘wereldbeheersers van deze duisternis’ worden genoemd (Ef. 6:12). Efeziërs 2:2 lokaliseert deze kwade machten in de lucht. We lezen daar namelijk over ‘de heerser over de machten in de lucht, …. de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn.’ Deze boze geesten bevinden zich dus in de lucht, in de hemel die direct aan de aarde raakt⁵.
Dat de onzichtbare hemelen zich uitstrekken tot de aarde zien we ook aan het gegeven dat gezegd wordt dat de Gemeente op aarde zich tegelijkertijd ook ‘in de hemelen’ bevindt. Efeziërs 2:5-6 zegt namelijk dat God ons heeft ‘levend gemaakt met Christus’, dat Hij ons met Hem heeft opgewekt en dat Hij ‘ons mede een plaats heeft gegeven in de hemelen’.
Samenvattend kunnen we zeggen dat het begrip hemelen in de brief aan de Efeziërs spreekt over de geestelijke wereld, die onzichtbaar is voor onze natuurlijke zintuigen (vgl. 2Kor. 4:18), maar die toch lokaal gedacht wordt. Zij strekt zich uit vanaf de aarde tot aan de troon van God.
Hemel en gelovigen
In het Nieuwe Testament kunnen we drieërlei relaties onderscheiden tussen de hemel en de gelovigen. De hemel en de levende gelovigen op aarde, de hemel en de gestorven gelovigen en de hemel en de verrezen gelovigen, de gelovigen die een verheerlijkt lichaam hebben gekregen. Die relatie met de hemel is voor elk van deze drie groepen verschillend. Over de gestorven gelovigen hebben we eerder al uitvoerig gesproken⁴. We richten ons hier op de levende en de verrezen gelovigen.
Over de levende gelovigen, de gelovigen die op aarde leven voor de wederkomst van Jezus, lezen we in Filippenzen 3:20 (in tekst abusievelijk vermeld als 4:20): ‘Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten’. De gelovigen hebben dus hun vaderland in de hemel; zij vormen op aarde een kolonie van hemelburgers. Nog inniger wordt de relatie met de hemel beschreven in Efeziërs 2:4-6 waar we lezen: ‘God echter die rijk is aan erbarming, heeft om zijn grote liefde, … ons hoewel wij dood waren door de overtredingen, mede levend gemaakt met Christus … en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelen’. De hemel is dus niet alleen de plaats waar onze zegeningen vandaan komen, maar is meer. De gelovigen die op aarde leven, leven tegelijkertijd ook nu al in een hemelse realiteit.
De hemel en de opstanding van het lichaam
Dit brengt ons op het laatste punt, namelijk de hemel en de gelovigen die zijn opgestaan uit de dood. Hierover spreekt Paulus in 2 Korintiërs 5:1-2 als hij zegt: ‘want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’. Paulus spreekt hier over het opstandingslichaam, het verheerlijkte lichaam dat alle gelovigen zullen ontvangen bij de opstanding van de doden. Dit is de volmaaktheid naar geest, ziel en lichaam die wij bij de wederkomst van Jezus Christus zullen ontvangen (vgl. 1Tes. 5:23).
Deze totale en volmaakte vernieuwing van de gelovigen is onderdeel van een totale volmaakte vernieuwing van de schepping. Een vernieuwing die tot stand komt doordat de hemel de aarde volledig zal omhelzen. We lezen dit in Openbaring 21:1: ‘En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan.’
De hemel heeft een geschiedenis
Als we het voorgaande samenvatten, kunnen we zeggen dat niet alleen de aarde een geschiedenis heeft, maar ook de hemel. Door de eerste komst van Jezus Christus naar de aarde zijn hemel en aarde in een nieuwe relatie tot elkaar gekomen. Dat komt goed tot uiting in de uitdrukking ‘in de hemel en op de aarde’. Het geeft een vereniging van hemel en aarde aan. Zo lezen we in Efez. 1:10 dat God heeft besloten om alles in hemel en op aarde onder een hoofd bijeen te brengen, onder Christus ‘om door hem en voor hem alles met zich te verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis.’ (Kol. 1:20) Er is hierdoor een nieuwe relatie tussen hemel en aarde ontstaan. Zoals Jezus bidt in het Onze Vader: ‘laat… uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.’ (Mat. 6:10)
Door de komst van Jezus naar de aarde wordt de relatie tussen hemel en aarde anders. De hemel is met Jezus naar de aarde gekomen. Met de komst van Jezus is het Koninkrijk der hemelen op aarde aangebroken. Zo hebben we gezien dat wie geloven in Jezus Christus, hoewel ze leven op aarde, toch nu al met Hem gezeten zijn in de hemel, m.a.w. nu al mogen leven in een hemelse realiteit. We hebben het over het ‘al wel’ aspect van het Koninkrijk van God, over gerealiseerde eschatologie.
Na de komst van Jezus naar de aarde krijgt de hemel ook nieuwe bewoners. In het OT gaan de gestorvenen naar de sheol, het dodenrijk. Na de komst van Christus gaan ze naar de hemel. Ik weet overigens niet zeker of dit betekent dat zij die gelovig gestorven zijn nu naar een andere bestemming gaan. De moordenaar aan het kruis kreeg van Jezus de belofte ‘vandaag nog zul je met mij zijn in het paradijs.’ Was dit in de sheol (zoals de meeste joden geloven) of in de hemel, zoals Paulus en andere Joodse geschriften ons vertellen (2Kor. 12:2-4)⁹. Hoe het ook zij, nieuw is sinds de komst van Christus dat van gelovigen wordt gezegd dat ze na hun dood in het ‘paradijs’ (Luc. 23:43) en ‘bij de Heer’ in de hemel zullen zijn (2Kor. 5:8).
Straks, na het laatste oordeel, zal de hemel naar de aarde afdalen en zullen aarde en hemel weer in volledige harmonie met elkaar zijn. Dan zal God in al zijn heerlijkheid op aarde wonen zoals Hij in de hemel woont. De gehele schepping (hemel en aarde) is dan tempel of woonplaats van God geworden en vervuld van Zijn heerlijkheid¹⁰.
Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde
‘Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen… ² Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, vanuit God uit de hemel neerdalen, …. ³ Toen hoorde ik een luide stem, die vanaf de troon riep: ‘Dit is de tent van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn, en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn…. ⁵ En Hij die op de troon zetelt, zei: ‘Zie, Ik maak alles nieuw…. ⁶… Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde’. (Op. 21:1-6)
Noten
- H. Berkhof, Christus en de machten (Nijkerk, 1952) 31.
- Mat. 3:16; Hand. 7:56; zie ook Joh. 1:52; Hand. 10:11,16; Op. 4:1; 19:11.
- Deze hemelen, die Jezus is doorgegaan, worden in Heb. 9:11 genoemd: ‘de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping…’
- G. van den Brink, ‘Waar zijn de doden?’ in: StudieBijbel magazine 5.1 (2011) pg. 4-7.
- Bauer zegt het zo: “Da es mehrere Himmel gibt, die je näher sie der Erde liegen, von um so minderwertigeren Geistern bewohnt werden, kann ta epourania auch Wohnort böser Geistern sein.” W. Bauer, ‘epouranios’, Wörterbuch, s.v.
- Er is onder de moderne exegeten een behoorlijke consensus, dat Paulus hier spreekt over hetzelfde als in 1Kor. 15:35-49, namelijk het opstandingslichaam. De interim situatie tussen dood en opstanding typeert Paulus in vers 3 als ‘gumnos, naakt’. Hierover zegt Martin: Probably Cullmann is correct in saying that those who enter the bodiless state, though better off (5:8; cf. Phil 1:23), still experience the tension of “already, but not yet” (“How long, O Lord?” is the cry according to Rev 6:9)…… This is simply an expansion of teaching put forward earlier in 1 Corinthians. R.P. Martin, 2 Corinthians, WBC vol. 40 (1986) pg 108.
- Bv. in Mat. 6:10; 28:18; Ef. 1:10; Kol. 1:16,20.
- Zie G. van den Brink, ‘Waar zijn de doden?’, pg. 4.
- The creation is created anew so that it may embrace ‘the new Jerusalem’ and become the home of God’s Shekina (Isa.65; Ezek.37; Rev.21)… The presence of God can be imagined in different ways: as a place of glory, as a place where God lets his name dwell, as footstool for the God who is enthroned in heaven. J. Moltmann, The Coming of God, Christian Eschatology (Fortress Press: Minneapolis, 1996) 266.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in het StudieBijbel Magazine. Wil je ook een voordelig abonnement op het magazine? Klik dan hier.





