Hab. 3:17 en vijgenboom
Een van de bekendste Bijbelteksten uit het Oude Testament staat in Habakuk 3:17 waar wordt gesteld dat de vijgenboom niet meer zal bloeien. Dit vers is interessant omdat hier volgens meerdere bijbelvertalingen wordt gesproken over een bloeiende vijgenboom. Net als iedere plant en boom bloeit ook de vijgenboom en het is een heel bijzondere bloeiwijze die syconium wordt genoemd.
Syconium is een holle verdikking (die wij vaak de vrucht noemen) waar de bloemen aan de binnenkant bloeien. Bij de voorbereidingen voor een Bijbelstudie vroeg ik me af of de profeet en de mensen uit die tijd hiervan al op de hoogte waren. Ik heb verschillende boeken erop nageslagen en ook op internet gezocht. Behalve de tekst in Habakuk heb ik maar één vage verwijzing gevonden. Het is dan ook erg twijfelachtig of in onze Bijbeltekst wel bloesem bedoeld wordt. Het Hebreeuwse woord parach wordt in veel andere teksten vertaald met “uitbotten, uitspruiten”, zoals in Hoogl.6:11en 7:12 “de granaatbomen uitbotten” (SV), maar ook van zweren die als puisten openbreken (Ex.9:9). Het lijkt me daarom logischer in deze tekst het woord met “uitbotten, uitspruiten” te vertalen. Taalkundig is dit correct en het doet niets van de betekenis van de tekst af. Gelukkig zijn er dan ook een paar vertalingen die met uitbotten vertalen, zoals de NetBible “When the fig tree does not bud“, WV95 “De vijgenboom bot niet uit“ in Het Boek “Al zou de vijgenboom niet uitbotten”.
Het zelfstandig naamwoord (vrl.) sukē – een samentrekking van sukea – betekent ‘vijgenboom’.
De vijgenboom (Lat. ficus carica) was (en is) een zeer gangbare boom in het Midden-Oosten. Anders dan bijvoorbeeld de olijfboom (elaia) verliest de vijg in de herfst haar bladeren. Met het uitlopen van de bladeren aan het einde van de maand maart (vgl. Mar.13:28 par.) beginnen de vroege vijgen te groeien. Deze zijn in juni rijp (zie sukon ‘vijg’). ’s Zomers staat de boom vol met blad (vgl. Mar.11:13). Aan het eind van de zomer beginnen de late vijgen te groeien (zie olunthos ‘late vijg’). Deze zijn meestal groter in aantal en zoeter van smaak dan de vroege vijgen en worden geoogst vanaf half augustus tot en met de maand oktober. Wanneer de vijgenboom gekweekt werd, gebeurde dat vaak samen met wijnstokken (vgl. Luc.13:6; vgl. ampelos ‘wijnstok’).
In het OT heeft de vijgenboom (meestal samen met de wijnstok) verschillende symbolische functies. In de eerste plaats staat deze voor overvloed, rust en welvaart in het beloofde land (bv. 1Kon.4:25; Mi.4:4; Zach.3:10). In het verlengde daarvan bestudeerden rabbi’s de Thora soms onder wijnstokken en vijgenbomen. Mogelijk speelt dit een rol in Joh.1:49 (zie comm.).
Op andere plaatsen in het OT wordt het volk Israël vergeleken met een vijgenboom (eveneens in combinatie met een wijnstok; bv. Jer.8:13; Hos.9:10; Mi.7:1). Deze symboliek vormt de achtergrond van verschillende gelijkenissen waarin de vijgenboom voorkomt (Mat.21:18-22 par.; Luc.13:6-9).
Zelf een woordstudie doen? Ontdek hier hoe je dat doet.





