Vergelijkende chronologie van Assyrië en Israël
De gangbare chronologie van de IJzertijd II, waarin Israël en Juda opkwamen, steunt op drie Assyrische ankerpunten, die bij nadere beschouwing niet kloppen. Die chronologie heeft geleid tot een domino-effect van verschoven regeringen, kunstmatige co-regentschappen en botsingen met Bijbelse, Assyrische en archeologische gegevens, waardoor bij onderzoekers het vertrouwen in de Bijbel afneemt. Een herziene chronologie, gebaseerd op de Masoretische tekst en absolute Assyrische data, biedt een consistent raamwerk en kan vertrouwen in de Bijbel hernieuwen.
1. Hoe komt een chronologische reconstructie tot stand?
De Bijbel heeft slechts relatieve dateringen: een koning wordt meestal gedateerd aan de hand van een andere koning. Al eeuwen proberen geleerden een absolute chronologie te maken. Denk aan het werk van bisschop Ussher in de 17e eeuw, die berekende dat de schepping plaatsvond in 4004 v.Chr. (BCE).
Door opgravingen werden er steeds meer gegevens bekend van de chronologie van Egypte en Assyrië. Vooral de Assyrische gegevens kunnen ons helpen, omdat er ook waarnemingen zijn van zonsverduisteringen; die kunnen zeer nauwkeurig gereconstrueerd worden.
In de 19e eeuw zijn veel pogingen gedaan om tot een goede verbinding te komen van al deze gegevens. Met name de Assyrioloog George Smith heeft in de 19e eeuw goede voorstellen gedaan.
De geleerden bleven echter discussiëren over allerlei zaken. Toen kwam halverwege de 20e eeuw Edwin Thiele met een eigen oplossing, gebaseerd op enige uitgangspunten die onder genoemd worden. Deze chronologie is geleidelijk aan zeer breed geaccepteerd. Ook allerlei Bijbelgetrouwe geleerden en organisaties hebben deze overgenomen. Deze voorstellen staan daarom in veel Bijbelverklaringen en handboeken. Ook in de Studiebijbel is deze chronologie overgenomen, al worden ook wel knelpunten en enige alternatieven genoemd.
De laatste jaren komt er echter steeds meer kritiek op het werk van Thiele en de redactie van de Studiebijbel heeft besloten dat er ook aandacht gegeven wordt aan een herziene chronologie. Deze is opgenomen als een excurs in de digitale editie. In de reconstructie van het verleden blijven er onzekerheden, maar de herziene chronologie lost diverse bekende knelpunten op.
2: De uitgangspunten van Thiele
De gangbare chronologie steunt grotendeels op drie Assyrische ankerpunten. Edwin Thiele gebruikte deze om de regeringsjaren van de koningen van Israël en Juda te koppelen aan de absolute Assyrische tijdlijn:
- de veldtocht van Sanherib in het 14e jaar van Hizkia, gedateerd in 701 BCE;
- Achab op de Kurkh-monoliet bij Qarqar (853 BCE);
- Jehu op de Zwarte Obelisk (841 BCE).
Al in de 19e eeuw werden deze identificaties en de datering van 701 BCE betwijfeld. Toch gebruikte Thiele ze en vormen zij de hoekstenen van de gangbare chronologie. Er zijn echter diverse knelpunten, waarvan er hier twee genoemd worden. Daarna volgen meer voorbeelden.
Probleem met Hizkia en Sanherib
Volgens 2Kon.18 viel Sanherib Juda binnen in Hizkia’s 14e regeringsjaar, acht jaar na de val van Samaria in zijn 6e jaar, dit is 720 BCE op de Assyrische tijdlijn. Dat plaatst Sanheribs inval in 712 BCE. Thiele dateerde haar echter op 701 BCE en veronderstelde daarvoor een co-regentschap van Hizkia van elf jaar met Manasse. Dat levert botsingen op:
- Synchronisaties met Hosea van Israël worden ongeldig (2Kon.18:1,9,10).
- Het bezoek van Merodach-Baladans gezanten (20:12) valt buiten diens regeerperiode (721–710 BCE).
- Egyptische bronnen plaatsen Shebitku en Taharqa bij Eltekeh in 712 BCE, niet in 701 BCE.
Kortom: 701 BCE handhaven vereist het verwerpen of herinterpreteren van Bijbelse, Babylonische en Egyptische gegevens.
Probleem met Achab, Jehu en de regeringsjaren
De identificatie van Achab en Jehu in Assyrische inscripties, gecombineerd met wisselende definities van het regeringsjaar, veroorzaakt verschuivingen in de tijdlijn. Thiele draaide de beginmaand van het regeringsjaar om (Tishri in Juda, Nisan in Israël) en wisselde de telmethode (accessiejaar of niet-accessiejaar) enkele keren om de chronologie sluitend te krijgen. Bereken je Jehu’s troonbestijging terug door vanaf de val van Samaria in 720 BCE de regeringsjaren van de koningen op te tellen, dan wijkt die 44 jaar af van het anker 841 BCE. Om dat gat te dichten introduceerde hij kunstmatige co-regentschappen; waar dat niet volstond, veronderstelde hij zelfs een fictief derde koninkrijk, “Efraïm”.
3: Waarom dat zoveel uitmaakt?
Chronologie lijkt misschien een technische kwestie, maar bepaalt hoe wij de geschiedenis begrijpen, hoe archeologische vondsten worden geïnterpreteerd en hoe betrouwbaar de Bijbel wordt geacht. Een verkeerde chronologie werkt als een schuivende fundering: alles wat erop rust komt scheef te staan.
Verwarring in de archeologie
Een verkeerde datering verandert de interpretatie van vondsten. Zo is de verwoesting van Jericho door Jozua vaak rond 1400 BCE geplaatst, maar opgravingen wijzen naar een verwoesting ongeveer negentig jaar eerder.
De start van Jehu’s regering, en daarmee die van Hazaël, is in de gangbare chronologie circa 44 jaar verschoven. Daardoor geldt de 18e veldtocht van Salmanasser III (841 BCE) als begin van Hazaëls macht, terwijl inscripties (en de Bijbel) juist zijn einde aangeven. Omdat de tijdlijn dan te krap wordt, moet volgens de gangbare chronologie Hazaëls zoon Ben-Hadad III dezelfde persoon zijn als zijn opvolger Mari.
Botsingen met de Bijbel
Als Achab bij Qarqar tegen Assyrië streed, was hij bondgenoot van Benhadad. Volgens 1 Koningen 20–22 was Benhadad echter zijn vijand, die hem kort daarna bij Ramoth in Gilead doodde. Benhadad was de bedreiging, niet Assyrië, die juist als verlosser fungeerde (zie volgend hoofdstuk). De Bijbel zwijgt over Qarqar, terwijl inscripties de slag als verwoestend beschrijven — onmogelijk kort daarop gevolgd door een tweede veldslag. Achabs identificatie bij Qarqar is daarom onwaarschijnlijk.
Ook overlappen Hazaëls oorlogen tegen Israël (2Kon.8–13) met de Assyrische campagnes tegen Aram-Damascus, alsof op twee fronten tegelijk werd gevochten — in Bijbelse context is dat onwaarschijnlijk.
Wanneer gebeurtenissen niet in de tijdlijn passen, wordt vaak geconcludeerd dat de Bijbel onbetrouwbaar is. De fout ligt echter bij de ankerpunten; met de juiste chronologie bevestigen Bijbel, archeologie en buitenbijbelse bronnen elkaar.
4: De oplossing – juiste aansluitpunten en herziene chronologie
De herziene chronologie bouwt op gecontroleerde identificaties en duidelijke uitgangspunten. Kunstmatige co-regentschappen (zoals Thiele aanneemt) zijn niet nodig, de standaard voor regeringsjaren past, en sluit aan bij concrete historische gebeurtenissen. Zo ontstaat een consistent, historisch en Bijbels betrouwbaar raamwerk.
Sanherib en Hizkia
Egyptische, Babylonische, Assyrische en Bijbelse gegevens vereisen dat Sanheribs veldtocht in Hizkia’s 14e jaar, 712 BCE, plaatsvond. Assyrioloog George Smith liet al in 1875 zien dat Sanherib toen nog kroonprins was. De verwarring ontstond doordat hij de veldtocht pas later, toen hij koning was, kon vastleggen. De registratiedatum is dus niet de datum van de gebeurtenis zelf.
Achab en Sam’al
De vermelding “A-ha-ab-bu Sir-ila-aa” in de inscripties van Salmanasser III wordt verklaard door opgravingen bij Zincirli: “Sir’ilaya” was de hoofdstad van Sam’al, dat in de Assyrische inscripties al vanaf Salmanassers eerste veldtocht voorkomt. George Smith verwees ook toen al naar het koninkrijk Sam’al. De namen lijken op elkaar, maar het betreft hier niet de Bijbelse Achab.
Jehu en Joahaz
Op de Zwarte Obelisk wordt “Ia-ua” genoemd, traditioneel geïdentificeerd als Jehu. Tiglat-Pileser III noemt in zijn annalen koning Achaz “Ia-ua-hazi”, wat aangeeft dat hij bekend stond als Joahaz, terwijl de Bijbel de verkorte naam Achaz gebruikt. “Ia-ua” kan daarom verwijzen naar de verkorte naam van “Ia-ua-hazi”. In de herziene chronologie past dit precies bij Joahaz, de zoon van Jehu. Volgens 2Kon.13:5 werd Joahaz door een “verlosser” bevrijd van Hazaël; mogelijk bracht hij vrijwillig tribuut aan Salmanasser als dank voor die bevrijding.
Jerobeam II en de crisis in Assyrië
Na de dood van Salmanasser III brak in Assyrië een burgeroorlog uit: 27 steden, waaronder Ninevé, steunden de afgezette kroonprins. In die periode was Jona in Ninevé, wat verklaart waarom hij spreekt over de “koning van Ninevé” (Jona 3:6–7) in plaats van de “koning van Assyrië”. In de herziene chronologie vallen het aantreden van Jerobeam II en de dood van Salmanasser III in hetzelfde jaar, bevestigd door Jona (2Kon.14:23, 25). In datzelfde jaar vond een totale zonsverduistering plaats (3 april 824 BCE), wat Jona’s boodschap extra kracht gaf.
Verder bewijs
Volgens de annalen van Tyrus zijn er 143 jaar van de bouw van Salomo’s tempel, in het 12e jaar van Hiram, tot het 7e jaar van Pygmalion (870 BCE in herziene chronologie). In dat jaar betaalde Tyrus zware belasting aan Assyrië, vastgelegd in inscripties en afgebeeld op de Balawat-poorten van Assurnasirpal II en kroonprins Salmanasser III.
De 390 jaar tussen de splitsing van het koninkrijk en de val van Jeruzalem (Ez.4:5) passen precies in de herziene tijdlijn.
Door de koppeling via Sisak aan Rehabeam (1Kon.14:25) verschoof ook de Egyptische tijdlijn. In de 22e dynastie passen daardoor de regeringsjaren niet, terwijl in de 21e juist een gat ontstond. In de herziene chronologie verdwijnen deze problemen.
5: Richteren en Exodus – de miskende schakel
Door de herziene chronologie schuift het jaar van de splitsing van het koninkrijk van 931 naar 977 BCE. Alles daarvoor komt dus 46 jaar eerder te liggen. Dat is echter niet genoeg, want in de vroege periode wijken Bijbelse en archeologische dateringen verder af. Zo wordt de verwoesting van Jericho circa 90 jaar eerder geplaatst dan in de gangbare chronologie.
De 480 jaar en de Richteren, en de Exodus
Worden de jaren van de richteren gewoon opgeteld, dan sluit de tijdlijn nauwkeurig aan met Bijbel en archeologie. Richteren 11:26 rekent 300 jaar van de intocht tot Jefta; van Jefta tot de tempelbouw telt nog eens 180 jaar. Samen zijn dat de 480 jaar van 1 Koningen 6:1. Dit plaatst de verwoesting van Jericho in 1493 BCE (1013 + 480), in lijn met de koolstofdatering. Het probleem ligt niet in de richterenperiode, maar in de definitie van het beginpunt. De gangbare chronologie voert parallelle regeringen van richters in, terwijl er staat “na de uittocht uit Egypte”: de uittocht was pas voltooid bij de intocht in Kanaän. De 480 jaar beginnen dus daar. Terwijl het aanvangspunt meestal genomen wordt bij het vertrek uit Egypte, 40 jaar eerder. De aangepaste chronologie van de Exodus als proces sluit aan bij Deut. 4:45–46 en Ps.114. Zo komt de Exodus uit op 1533 BCE, veertig jaar vóór de verwoesting van Jericho.
Buitenbijbelse bevestiging Ur
De roeping van Abram uit Ur is 430 jaar vóór de Exodus (Gal. 3:17–18). In de herziene chronologie valt dit in 1963 BCE, ca. 50 jaar vóór de val van Ur in 1912 BCE (ultra-lage chronologie Bronstijd). In de gangbare chronologie zou dit 1876 BCE (1446 + 430) zijn, toen Ur al verwoest was.
Manetho
Volgens de Egyptische priester Manetho, een belangrijke bron voor de Egyptische chronologie, werden de Hyksos — een Semitische dynastie — verdreven door koning Ahmose, stichter van de 18e dynastie. Josephus en andere historici identificeerden dit met de Exodus; Manetho noemt Mozes zelfs als leider. Ahmose’s vader Seqenenre Taa, de laatste farao van de 17e dynastie, stierf gewelddadig in 1533 BCE, het jaar van de Exodus. De onafhankelijk gedateerde start van de 18e dynastie in 1530 BCE sluit nauw aan bij de herziene chronologie.
Farao van de Exodus
Twee weken na Pesach (15 Nisan, bij volle maan; Ex. 12), bij de doortocht door de Rode Zee, vond op 9 mei 1533 BCE een zonsverduistering plaats. Voor Egyptenaren, die de farao als de zoon van de zonnegod Ra zagen, vormde dit het traumatische dieptepunt. Vergelijk Eze.32:2,7–8; Ps.136:15; Jes.51:9–10.
Amarna
De Amarnabrieven (circa 1360–1330 BCE; vgl. de excurs in de StudieBijbel) bevestigen Richteren 4, waar Barak de koning van Hazor versloeg in 1346 BCE. Sisera, zijn legeroverste, wordt genoemd in een Ugaritisch verdrag naast Niqmaddu (Ugarit) en Aziru (Amurru), wat de datering bekrachtigt.
6: Conclusie en vervolg
Traditionele aannames kunnen een valkuil zijn, zeker wanneer ze ondanks tegenstrijdigheden niet worden heroverwogen. Steeds weer zijn kunstmatige oplossingen bedacht — co-regentschappen — om de aannames te behouden.
Opvallend is dat de tegenstrijdigheden in de Egyptische, Babylonische en Judese chronologie allemaal in dezelfde richting wijzen, maar dit is door de hoofdstroom van geleerden genegeerd. In werkelijkheid vallen de bronnen samen zodra verkeerde uitgangspunten worden losgelaten. Historici als George Smith (19e eeuw) en Dionysius Petavius (17e eeuw) kwamen al dicht bij de herziene chronologie, toen Smith stelde dat Sanherib bij zijn invasie kroonprins was, en Petavius begreep dat de 480 jaar bij de Richterenperiode hoorden. Hun inzichten raakten echter in de vergetelheid.
De les is duidelijk: wetenschap vraagt om kritisch heroverwegen. Francis Bacon, grondlegger van het wetenschappelijk denken, stelde dat het grootste obstakel voor kennis niet in onwetendheid ligt, maar in verkeerde denkwijzen.
De herziene chronologie laat zien dat de Bijbel niet botst met archeologie en geschiedenis, maar juist wordt bevestigd door externe bronnen. Zonder betrouwbare chronologie is er geen geschiedenis. Met een juiste tijdlijn ontstaat samenhang en wordt zichtbaar dat de Bijbel geworteld is in de geschiedenis. Of, zoals 2 Petrus 1:19 zegt: “Wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is …”
Dit artikel is geschreven door Jan Speksnijder en slechts een samenvatting. De volledige studie met toelichtingen, tabellen, chronologisch schema en referenties staat op StudieBijbel Online (‘Chronologie 1a’).




