Er wordt in de evangeliën onderscheid gemaakt tussen de twaalf discipelen en een ruimere kring van volgelingen die niet met Jezus meereizen.
Dit lijkt een vanzelfsprekendheid, maar de vraag die direct opkomt, is wel wat dan het verschil is tussen de twaalf en de andere volgelingen. Is dat verschil in het evangelie ook aanwijsbaar, bijvoorbeeld doordat Jezus verschillende verwachtingen van de twee groepen heeft? En vervolgens natuurlijk de vraag of dit verschil vandaag nog aanwezig is. Dat is het onderwerp van dit artikel.
We beginnen met kort de verschillende standpunten na te lopen. In de Rooms Katholieke traditie worden de twaalf gezien als leiders en gezagdragers die hun ambt moeten doorgeven aan opvolgers, met de paus als opvolger van Petrus. Van deze opvolgers van de apostelen wordt een hogere ethische levensstandaard gevraagd dan van de rest van de gelovigen, denk bijvoorbeeld aan het celibaat. Deze ‘erfopvolging’ van de twaalf en het primaat van Petrus naar de latere bisschoppen en het pausdom is in het NT nog niet traceerbaar.
Voor protestanten zijn de twaalf de eerste predikers van het Woord die een getuigenis van Christus gaven. Hierin zijn zij een voorbeeld en worden zij in eerste instantie gevolgd door de predikanten die vandaag nog steeds het Woord verkondigen. Een latere protestantse lijn is de gedachte van de gemeente als ‘discipelkring van Jezus’. In dat geval zijn alle gelovigen te vergelijken met de twaalf. Er is weinig of geen onderscheid tussen de twaalf discipelen en andere gelovigen. Dit geeft een voortdurende frictie, omdat Jezus van de twaalf een volledige toewijding vraagt, inclusief het opgeven van familie en bezit.
In de meer klassieke gereformeerde theologie is de leer geboren dat de twaalf een unieke heilshistorische groep van getuigen van Jezus Christus vormen, die eenmalig was. Deze groep wordt dan omschreven als “de formele gezagsinstantie die Christus in het leven heeft geroepen en waaraan de prediking van het evangelie voor alle toekomst zijn oorsprong en maatstaf ontleent”. In lijn van dit denken ontstaat dan vervolgens de gedachte dat ook veel van de beloften en opdrachten die aan de apostelen werden gegeven, zoals het genezen van zieken, alleen voor hen bedoeld was, niet voor hun opvolgers. Dit wordt wel de streep-theologie genoemd. Wanneer we ons realiseren dat de komst van het Koninkrijk van God de centrale boodschap van Jezus was en dat dit Koninkrijk bij zijn eerste komst ook ten dele is aangebroken, is deze streeptheologie niet vol te houden.
Apostelteam van rondreizende evangelisten?
Een vierde optie is dat de twaalf een apostelteam van rondreizende evangelisten vormden. Dit voorstel is gedaan door de Zuid-Koreaanse nieuwtestamenticus Kyoung-Jin Kim. Het betreft dan een apostelteam zoals we dat vooral ook kennen uit het optreden van Paulus. Op zijn tweede zendingsreis trekken er vier broeders met hem mee (Hand.15:40; 16:1,11-13), op zijn derde reis zijn er op enig moment zelfs acht bij hem (Hand.20:4-6). Vanwege de nieuwtestamentische parallel in het optreden van Paulus, is deze gedachte heel aantrekkelijk. Laten we hier iets verder op ingaan.
Door Kim wordt onderscheid gemaakt tussen de kleine kring van discipelen van wie gevraagd wordt alle bezit op te geven en de grotere kring van volgelingen van wie dit niet wordt gevraagd. De kleinere kring is echter niet beperkt tot de twaalf, maar betreft in Jezus’ tijd alle ‘rondreizende’. Dat zijn de gelovigen die niet fysiek met Jezus meereizen.
Enerzijds roept Jezus op alles op te geven (Luc.14:33), anderzijds vermaant Hij de andere gevestigde of plaatselijke gelovigen niet voor het feit dat ze nog bezit hebben. Zelfs Levi, van wie gezegd wordt dat hij alles achterliet om Jezus te volgen (Luc.5:27-28), organiseert vervolgens een maaltijd in zijn eigen huis voor zijn nieuwe Meester (vs.29), wat blijkbaar ook acceptabel was en duidelijk maakt dat het ‘alles opgeven’ bij hem in een afgezwakte vorm voorkomt. Andere voorbeelden van ‘gevestigde’ volgelingen zijn Maria en Martha (Luc.10:38-42), Zacheus (Luc.19:1-10) en Jozef van Arimathea (Luc.23:50-54). Kims onderscheid is ‘plaatselijk’ versus ‘rondreizend’, waarbij alleen de laatste groep alles opgaf. Maar hoe zit het dan met de rijke vrouwen die met Jezus meereisden? We lezen hierover in Luc.8:1-3,
“Kort daarop begon Hij rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden Hem, en ook enkele vrouwen die van kwade geesten en ziekten genezen waren: Maria van Magdala, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna – en nog tal van andere vrouwen, die uit eigen middelen voor hen zorgden” (Luc.8:1-3; vgl. 23:49,54).
De vrouwen reizen met Jezus mee, maar hebben wel hun bezit behouden, waarmee ze de groep apostelen ondersteunen. Ze zijn dus ‘plaatselijke’ volgelingen, maar behoren toch ook eigenlijk ten dele tot de ‘rondreizende’ groep. Heeft het onderscheid tussen ‘plaatselijk’ en ‘rondreizend’ dan wel de kern geraakt? De rijke vrouwen kunnen beter beschouwd worden als beschermvrouwen van de apostelgroep.
Volgelingen in concentrische cirkels
Joachim Jeremias heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw al opgemerkt dat de groep volgelingen van Jezus als het ware uit concentrische cirkels bestaat. Waar Jezus komt laat Hij aanhangers achter, die met hun families het Koninkrijk van God verwachten en die Jezus en zijn boodschappers in huis opnemen. Zij bevinden zich in het hele land, vooral in Galilea, maar ook in Judea, bijvoorbeeld Bethanië, en in de Dekapolis (Mar.5:19vv). Een kleine kring van leerlingen volgt Jezus op al zijn reizen. Het zijn mannen als Levi de zoon van Alfeüs (Mar.2:14), Jozef met de bijnaam Barsabbas en Mattias (Hand.1:23), maar ook vrouwen (Luc.8:1-3, Mar.15:40v), volgens Jeremias waarschijnlijk weduwen, omdat ze beschikken over bezit. Een nog kleinere kern bestaat uit de twaalf, die Jezus ook uitzendt als medewerkers.
Ook de Engelse historicus en nieuwtestamenticus N. Tom Wright onderscheidt verschillende soorten volgelingen. Uit de grotere groep roept Jezus een aantal personen om niet alleen te geloven en te volgen waar ze wonen, maar om hun huizen te verlaten en letterlijk Hem te volgen op zijn reizen. Jezus had een agenda en een doel en was vastbesloten die te voltooien, stelt Wright. Daarvoor had Hij helpers nodig. Ook Wright ziet geen strakke onderscheidingen. Sommigen bleven thuis en geloofden in Jezus, zoals Maria en Martha. Anderen vroeg Hij met hem mee te reizen. Sommigen gingen af en toe mee om Hem en zijn directe kring van discipelen van voedsel te voorzien. Ze gaven van wat ze hadden, wat aangeeft dat zij nog steeds bezit hadden. Anderen gaven het rondreizende team onderdak in hun huizen, wat aangeeft dat zij thuis woonden. We weten niet hoeveel maanden per jaar Jezus reisde of dat Hij met zijn groep in de wintertijd op één plaats bleef, bijvoorbeeld Kapernaum (vgl. Mat.4:13 ‘ging wonen in Kafarnaüm’).
Wat we wel weten is dat Jezus van een kleine groep vroeg alles op te geven en Hem te volgen. Hij vroeg hen, ja gebood hen, hun huidige verplichtingen op te geven, om zijn leefwijze te volgen en om zijn zendingsmissie te ondersteunen. Het onderscheid is volgens Wright van wezenlijk belang, omdat we hier zien dat Jezus niet van alle volgelingen hetzelfde vroeg. Van de kleinere kring die alles opgaf en met Jezus optrok vroeg Hij meer dan van anderen.
De vraag die mij bezighoudt en die ik al stelde is: wat is het karakter en de bedoeling van de kleine kring die alles opgaf? Waarmee is die kring vandaag te vergelijken?
De twaalf als actiegroep
Tom Wright stelt zich de vraag hoe men in Galilea naar de groep van Jezus en de twaalf gekeken heeft. Een groep die alle normale verplichtingen van werk, gezin en ‘ouders begraven’ negeerde voor een hoger doel. De mensen hebben de twaalf volgens hem gezien als een actiegroep die bezig was een beweging op gang te brengen, met enige overeenkomst met politieke bewegingen als die van een zekere Teudas en die van Judas de Galileeër. Zo zag tenminste Gamaliël de kring van Jezus (Hand.5:36vv.). Het optreden van Jezus had een radicale uitstraling, Hij vroeg van deze eerste cirkel van volgelingen een radicale vorm van discipelschap, alles opgeven. Dit werd niet gevraagd van gelovigen in de wijdere cirkels. En wanneer we met Kim de twaalf zien als een groep rondreizende evangelisten, dan moeten we toch opmerken dat deze groep in ieder geval een behoorlijk ander karakter had dan wat wij vandaag verstaan onder een reizend evangelisatieteam.
Kenmerken van de groep van twaalf
Brian Capper, een onderzoeker aan Canterbury Christ Church University, heeft onze vraag naar de kenmerken van de kring van twaalf rondom Jezus ook gesteld en doet een aantal interessante observaties.
Jezus selecteert twaalf discipelen uit een grotere groep. Deze kleinere groep vraagt Hij om voortdurend bij Hem te blijven en met Hem mee te reizen. Als een leefgemeenschap gebruiken ze samen de maaltijden, verkondigen ze de boodschap van het Koninkrijk dat komt en genezen zieken. Zo lezen we in Mar.3:13-15
“Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie Hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar Hem toe. Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten Hem vergezellen, en Hij wilde hen uitzenden om het goede nieuws te verkondigen. Ook kregen ze de macht om demonen uit te drijven.”
De groep die met Jezus meereist leeft in gemeenschap van goederen (Joh.12:6; 13:29). Aan deze gezamenlijke beurs worden ook de bijdragen van de rijke meereizende zusters toegevoegd (Luc.8:1-3). Terwijl sommige maaltijden van de reizende groep een besloten karakter hadden (Mar.7:17, 24; 10:10, 30–31, 33), blijkt op andere momenten dat behoeftige toehoorders ook uitgenodigd werden (Mar.2:15; 6:10; 7:17, 24; 14:3). Omdat Jezus de rijken voortdurend aanmoedigde vrijmoedig te geven aan de armen (Mat.6:24; Mar.10:17–27; Luc.12:16–21, 33; 14:7–33; 16:1–15, 19–21; 19:1–10), mogen we aannemen dat de groep ook regelmatig vanuit hun gemeenschappelijke beurs de armen hielp. Verschillende teksten suggereren dit (Joh.12:4-5; Mar.14:4–5; vgl. Mat.26:8–9).
Toen Jezus aan Filippus vroeg waar ze brood konden kopen voor de menigte, antwoordde Filippus dat zelfs 200 denarie (1 denarie is een dagloon) niet voldoende zou zijn. Maar zowel uit de vraag als het antwoord kun je opmaken dat op zich het voeden van de toehoorders uit de gemeenschappelijke kas niet vreemd was. Het leven van Jezus, de twaalf en andere meereizende volgelingen was volgens Capper een vorm van verkondiging en praktisch onderwijs, maar ook van gemeenschapsleven en van dienstbaarheid in nauw contact met de armen. De conclusie die Capper vervolgens trekt, is voor mij een eyeopener. Hij concludeert dat deze vorm van geloof zoals je die bij Jezus en de twaalf ziet godsdienst-fenomenologisch gezien een vorm van ‘virtuoso religie’ is. Het is een term die Max Weber heeft gemunt om deze radicale vorm van geloven te onderscheiden van bijvoorbeeld volksreligie of een charismatische godsdienst. Deze term wordt onder andere gebruikt om de kloosters en religieuze orden te onderscheiden van de volkskerk. Voor een vergelijkbare vorm van ‘virtuoso religie’ wijst Capper naar de Essenen uit Jezus’ tijd. Zij vormden groepen gelovigen die samenwoonden op één plaats en ervoor kozen om afstand te doen van bezit en in gemeenschap van goederen leefden. We kennen ook minstens één zo’n groep christelijke gelovigen, namelijk in Jeruzalem (Hand.2:44-47 en 4:32-37).
De functie van een ‘virtuoso’ team
Wat is nu de functie van zo’n radicale groep naast een wijdere groep van gelovigen? Capper brengt dit als volgt onder woorden. De ‘virtuoso’ groep is gedisciplineerd en duurzaam van karakter. Vanwege haar nadruk op discipline, methode en praktijk, is zij in staat een onderscheidende sociale vorm en identiteit te behouden. Een virtuoze religieuze groep vormt dus ‘een alternatieve structuur binnen de samenleving als geheel’.
Als we weer teruggaan naar Jezus en de twaalf, dan zien we in hun samenleving iets van het koninkrijk van God werkelijkheid worden. En dit koninkrijk zal straks over de hele wereld werkelijkheid worden. Jezus en de twaalf en in hun voetspoor religieuze orden, missionaire zendingsteams en christelijke leefgroepen en communiteiten, hebben een onevenredig grote invloed op de omringende sociale wereld, omdat hun praktijk breed respect afdwingt. Deze groepen waren en zijn van groot belang voor de groei van de kerk van Jezus Christus en voor het oprichten van hoopvolle tekenen van zijn koninkrijk. Dat velen nog geroepen mogen worden tot zo’n ‘virtuoso’ vorm van dienstbaarheid.





