Je hebt voor iets gebeden, maar krijgt het niet. Een ander heeft voor iets dergelijks gebeden, en het wordt wel verhoord. Ken je dat? Hoe ga je daar mee om? Soms kun je de neiging hebben boos te worden. De gedachte dat dit onrechtvaardig is, komt bij je op. Iets dergelijks gebeurde ook bij Kaïn. We willen de relatie tussen God en Kaïn eens dieper onder de loep nemen. Wat kunnen wij hieruit leren?
Kaïn is woedend op God
“Na verloop van tijd bracht Kaïn de Heer een offer van de opbrengst van het land. Ook Abel bracht een offer: van de eerstgeboren dieren van zijn kudde offerde hij de beste stukken vlees. De Heer schonk aandacht aan Abel en zijn offer, maar aan Kaïn en zijn offer niet. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker.” (Gen. 4:3-5)
God nam het offer van Kaïn niet aan. Hij ziet het hart aan en in het hart van Kaïn zag Hij iets dat niet goed was. Uit de woorden van God in vers 7 wordt namelijk impliciet Kaïns gedrag als niet goed gekarakteriseerd: hij heeft zich op een verkeerde weg begeven. Want dit komt er eigenlijk ook direct voor anderen zichtbaar uit. We lezen dat Kaïn woedend werd en zijn blik donker werd. En dan zegt God tegen hem: “Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker?” Wat God aan Kaïn vraagt, dat vraagt iedereen zich af die dit leest. Wat is het dat Kaïn verborgen hield? Wat ging er aan zijn woede vooraf? Wat is het verschil tussen Abel en Kaïn?
- Both sacrifice and appear before the Lord.
- Both give of the work of their hands to Him.
- In doing so, both bring thanks to God.
Wat is dan toch het verschil tussen beide mannen? Over Kaïn lezen we in vers 3 letterlijk “aan het einde van dagen”, mogelijk aan het eind van een landbouwseizoen, met andere woorden op de daarvoor bestemde dag, zoals het nu eenmaal hoorde, bracht Kaïn een offer.
Over Abel vertelt de schrijver in vers 4 dat hij de “eerstgeborenen van zijn kleinvee van het vette” offerde, d.w.z. de eerstgeborenen van de beste schapen van zijn veestapel. Hij geeft God de eerste plaats en de eer die Hem toekomt.
Nu zou je kunnen denken dat dit toch maar een minimaal verschil is. Maar uit de reactie van Kaïn blijkt dat er hier meer aan de hand is. En de Heer ziet dat, maar Hij wijst Kaïn hierom zeker niet voorgoed af, zoals uit het vervolg duidelijk blijkt. Wel laat Hij hem wachten en slaat even geen acht op Kaïns offer. Hij wil Kaïn laten merken dat hij een verkeerde gezindheid heeft.
Jezus zal later zeggen: “Een goed mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort” (Luc. 6:45). Wat in het hart van Kaïn is, blijkt uit zijn reactie. Zo gaat dat toch ook vandaag nog? In het intermenselijk verkeer kan zo iemand als Kaïn vrij snel een keiharde afwijzing verwachten.
De eerste waarschuwing van God
Maar zo is God niet. Hij reageert anders en wijst Kaïn niet af. Hij blijft met hem in gesprek en zegt: “Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.” (4:6-7)
God vraagt hem: “Waarom ben je zo kwaad?” De vraag is retorisch (de Heer weet immers alles) en is bedoeld om Kaïn tot inkeer te brengen. De Heer legt hem vervolgens uit hoe het geestelijk leven werkt.
Letterlijk zegt God tegen hem: “Als je het goede doet is er verheffing.” “Verheffing” kan twee dingen betekenen. Het kan gaan om opgewektheid, in tegenstelling tot een lang gezicht, een betrokken gelaat, en het kan gaan om overwinning en zegen, in tegenstelling tot de greep van de zonde, of om een combinatie van beide. Het goede wat Kaïn niet deed, was aan de Heer offeren vanuit zijn hart, met zijn hele hart. Wat Kaïn deed, was uiterlijk hetzelfde als wat zijn broer Abel deed. Maar zowel hijzelf als de Heer wisten dat Kaïn niet met de juiste houding offerde.
En dan zegt God: “Als je het goede niet doet, ligt de zonde als een roofdier klaar om je te grijpen.” En het eerste wat de zonde bewerkte bij Kaïn was dat hij kwaad werd op God. Met de woorden in vers 7 maakt de Heer hem dit duidelijk. Het is een eerste forse waarschuwing voor hem. Kaïn, je hebt aan de zonde toegegeven, terwijl je over haar had moeten heersen! Zul je de zonde de baas kunnen blijven, nu je in deze fout gevallen bent?
Het is zuivere liefde van God, dat Hij na door Kaïn te zijn afgewezen, niet op zijn beurt nu ook Kaïn als persoon afwijst.
Hoe het verder gaat met Kaïn
De bedoeling van God was dat Kaïn tot zelfinzicht en bekering zou komen, maar gebeurt dit ook? We lezen: “Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood.” (4:8)
Kaïn bekeert zich niet. Hij neemt zelfs niet eens de moeite om God een antwoord te geven. Hij spreekt daarentegen wel tegen zijn broer Abel. Hij nodigt Abel uit met hem mee te gaan het veld in en vermoordt hem daar. De zonde heeft Kaïn nog meer in haar macht gekregen en zo is hij in een glijdende schaal terecht gekomen. God niet op de eerste plaats stellen, kwaad op God zijn, jaloers en kwaad zijn op zijn broer en dan een moord plegen.
Nu is het toch wel helemaal duidelijk, zou je denken. Er is uitgekomen wat erin zit, we hebben hier te maken met een zondig slecht mens. Daar is onder ons maar één antwoord op: een veroordeling en een straf.
Tweede ontmoeting met God
Maar wat doet de Heer? Hij spreekt opnieuw met Kaïn en geeft hem weer een kans. “Toen vroeg de Heer: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ ‘Wat heb je gedaan?’ zei de Heer. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar Mij schreeuwt.’” (4:9-10)
God vraagt: “Waar is je broer?” Het is weer een retorische vraag, want God weet het wel, maar zoekt met Kaïn een gesprek van hart tot hart. Kaïn zegt: “Ik weet het niet”, “moet ik soms voor m’n broer zorgen?” Hij stelt nu ook maar eens een retorische vraag aan God, waarmee hij elke verantwoordelijkheid ontkent en glashard liegt. Kaïn weet wel beter, maar hij is vervallen tot onbeschoft en crimineel gedrag.
Nu zal de Heer hem toch wel direct afschrijven, denk je dan. Nee, nog niet, Kaïn krijgt van God een derde kans. Nog een keer komt Hij met een vraag en hoopt dat Kaïn tot inkeer komt. Hij zegt: “Wat heb je gedaan?” “Het bloed van je broer roept uit de aarde naar mij.” God doorziet Kaïn door en door. Hij weet alles wat er gebeurd is.
Nu zwijgt Kaïn. Hij komt niet tot berouw of inkeer, maar hij zwijgt. Wie zwijgt, stemt toe? Nu verwacht je als lezer dat God toch wel vuur uit de hemel zal gooien om korte metten te maken met deze moordenaar. Toch gebeurt dat niet. Waarom niet? Deze vraag dringt zich wel heel erg aan ons op. Is dit nog wel rechtvaardig?
De straf die Kaïn krijgt
In de verzen 11-12 lezen we over de straf die Kaïn krijgt: “Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer uit jouw hand te ontvangen. Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.”
The punishment Cain receives is fourfold:
- Hij wordt verbannen uit het akkergebied
- Hij mag zijn vroegere beroep niet meer uitoefenen
- Als hij het toch probeert zal de grond hem niets meer opbrengen
- Hij zal zijn leven lang een zwervende vluchteling zijn.
Als ik deze straf tot me door laat dringen, dan denk ik: wat een geluk heeft deze Kaïn. Hij zou er in veel landen niet zo goed vanaf gekomen zijn. Waarom is God toch zo genadig? Die vraag wordt steeds klemmender. Maar eerst komt er nog een climax.
De reactie van Kain en het antwoord van God
De moordenaar heeft ook nog de euvele moed om het niet eens te zijn met de straf die God hem oplegt. “Kaïn zei tegen de Heer: ‘Die straf is te zwaar. U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag U niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’” (4:13-14) Hij zegt: “Die straf is te zwaar om te dragen.” Als U dat doet, mij m’n land ontneemt, zodat ik als een zwerver door de wereld moet trekken, ben ik afhankelijk van de gunst van anderen en kan iedereen die mij ontmoet me doden.
Kaïn krijgt een minder zware straf dan je zou verwachten en probeert daar nog op af te dingen ook. Je kunt misschien zoiets nog wel verwachten van iemand die zo ver is gevallen. Wat mij echter veel meer verbaast, is de reactie van de Here God. “Maar de Heer beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En Hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan.” (4:15)
En weer treft het ons hoe ongekend genadig de Heer is voor Kaïn. Hij geeft de moordenaar de door hem gevraagde bescherming. “Wie Kaïn doodt zal zevenvoudig gewroken worden.” En Kaïn krijgt vervolgens een merkteken als bevestiging. Niemand zal hem kunnen doden. Kaïn mag niet gedood worden. Waarom niet? Waarom is God zo genadig? Hoe moet ik dat begrijpen?
Waarom is God toch zo genadig?
Ik wil proberen vanuit de context van de openbaring van God zoals die in de Schrift tot ons is gekomen voorzichtig een antwoord te geven. Keer op keer zien we dat de Heer probeert Kaïn tot inkeer te brengen. Want Kaïn is een schepsel van Hem, dat Hij liefheeft. Hij wil dat Kaïn tot inkeer komt en bij Hem blijft. En zolang Kaïn leeft, is inkeer nog mogelijk. We zien dit ook keer op keer in de geschiedenis van het volk Israël.
De zondemacht is in de wereld gekomen, maar God probeert de geweldsspiraal in te dammen en beschermt de zondaar in de hoop op inkeer en verandering. Daarom geeft Hij wel een straf, maar geen doodstraf. Ook hierin zien we het karakter van Jezus Christus, die zijn vijanden liefhad en zei: “Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen” (Luk. 23:34).
We zien in dit verhaal over Kaïn hoe ver en diep de macht van de zonde in de wereld reikt. Iedereen zal doodslag afwijzen als zonde. Maar alleen God ziet het hele spectrum van uitingen van zonde. Hij weet hoe het begon bij Kaïn. In het eerste begin ligt de bron van het kwaad, dat er uiteindelijk toe heeft geleid dat Kaïn een moordenaar werd.
Kaïn offerde aan God vruchten, maar niet met de juiste instelling. Hij gaf de Heer niet de eerste plaats die Hem toekomt. Dat was een grote klap in het gezicht van de Schepper. Dat was zonde en God wilde Kaïn beschermen om niet verder in de macht van de zonde te komen en van Hem af te dwalen. Maar wie van ons geeft altijd en overal vanuit zijn of haar hart het beste aan de Here God? Niemand.
De Bijbel zegt: “Allen zijn afgedwaald, allen ontaard. Er is geen mens die het goede doet, zelfs niet één.” (Rom. 3:12; Ps. 14:3)
But we have a God who is Creator and Father. He loves all His creatures. And as He dealt with Cain is a model of how He also deals with us. The great love of God for all people is shown by the fact that Jesus Christ came to the world to show people His love and offer salvation.
Er komt spontaan een oud lied bij mij naar boven:
“O, liefde Gods, oneindig groot,
Ver boven ons verstand;
Die zondaars weer een weg ontsloot,
Naar ’t hemels Vaderland!
Daartoe zond God, van ’s hemels troon,
Tot ’s mensen heil Zijn een’gen Zoon.
Ja! amen, ja! Op Golgotha,
Vond ’t mensdom weer genâ.”
Dit artikel verscheen eerder in het StudieBijbel Magazine. Klik hier voor de pdf-versie en de bronvermelding. Wil je ook het StudieBijbel Magazine? Then click here.





